Japanse Meeuw, verzorging en kweek
Japanse Meeuw Home Vogelland, tropische vogels sitemap vogelland
Verzorging

Geen tweede vogelsoort leent zich zo goed voor een verblijf in kooi of vitrine als de Japanse Meeuw. En dit is ook zo goed te begrijpen, omdat we hier te maken hebben met een door langdurige kruisingen verkregen vogelsoort, die in de natuur niet voorkomt.
De Japanners schijnen deze vogels gekweekt te hebben uit kruisingen van het gestreepte Bronzemannetje met het spitsstaart Bronzemannetje, terwijl ook nog een kruising met het Zilverbekje waarschijnlijk is. In ieder geval is men er niet in geslaagd de gang van zaken precies op te sporen en door terugkruisingen de stamvaders te ontdekken.

De naam "Uro1oncha" wijst terug naar de Bronzemannetjes en de toevoeging "domestica" geeft aan dat het een kweeksoort van de domesticatie is.

Kleurslagen

Hier komen een viertal soorten voor, n.l. de donker bruinbonte, de beige bonte, de witte en zeldzamer de bruin en beigebonte. De laatste heeft dus zowel bruine, beige alsook witte tekening. Hoewel de tekening en het overheersen van het wit over het algemeen willekeurig zijn, geven gelijk getekende vogels uitsluitend precies zo getekende terug.
Kruising van de verschillende kleuren onderling geeft de verschillende gebruikte kleuren terug, geen combinatie van deze kleuren, zoals men wellicht verwachten zou. In alle kleurvariëteiten is een enkele of dubbele kuif mogelijk. Deze kuif maakt het rode kopje wat plat en kan niet steeds als sieraad beschouwd worden.
Indien de vogels naar hun tekening, die constant is, onderscheiden zouden worden, zouden er wel 20 verschillende soorten zijn. Voorlopig letten slechts enkelen op deze tekening en er wordt dan ook weinig aan gedaan om tot een speciaal getekende soort door te kweken. Dat dit mogelijk is bewijzen de talrijke berichten uit Japan, waar men zuivere witte meeuwtjes gekweekt heeft met zwarte staart of met donkerbruine rug en zuiver witte buik.
Zo komen witte meeuwtjes met zwarte of donkerbruine kop voor en deze soort zou zich wel weer bijzonder lenen voor het inkweken van een kuif.



Zoals uit bovenstaande blijkt kan het voorkomen dat een paartje verschillend gekleurde vogels jongen groot brengt, die beigebont, bruinbont en wit zijn.
Om met een stam speciaal getekende aan te vangen moet men dus eerst beginnen met een constant verervend paar te kweken, gelijk van tekening en kleur. Een enkele maal wordt een zwartbonte Japanse Meeuw gesignaleerd, maar vermoedelijk hebben we dan te doen met "me1anisme"' (zwart worden) of met een of andere kruising.

Kweek

Ervaringen hebben geleerd, dat het broeden met deze vogels beter verloopt in een kooi, het z.g. kistmodel, of in een vitrine dan in een volière met verschillende andere vogels. Dit komt omdat ze zeer vreedzaam zijn en ze zich door vrijwel alle andere vogels van hun nest laten verjagen. Toch kan men wel een enkel paartje met wat kleine vinkensoorten gaan houden, mits er voldoende slaapgelegenheden en nestkastjes voorradig zijn.
De vogels zijn niet aan een speciaal broedseizoen gebonden en zelfs 's winters, in een matig verwarmd vertrek, gaan ze tot broeden over.

Heeft men ze echter in de zomermaanden reeds 3 nesten laten groot brengen, dan doet men natuurlijk verkeerd ook in de wintermaanden hiermee door te gaan. De vogels raken dan uitgeput. Beter doet men in zo'n geval ze te scheiden en zo enkele maanden op krachten te laten komen.
Bovendien heeft het popje in de winter, tenminste als ze buiten overwintert, last van "legnood" met alle gevolgen van dien.

Het is niet gemakkelijk een paartje samen te stellen aangezien er absoluut geen uiterlijke kenmerken zijn die de pop of de man bestemmen. Alleen de gedragingen van de man, die regelmatig naast het popje gaat zingen en dan heen en weer wiegt en zijn veren uitzet, maken het mogelijk het geslacht feilloos te bepalen. Heeft men twee mannen dan blijft het zingen vaak achterwege en als men dan ziet dat ze een nest klaar maken, waarin ze tegen elkaar aan slapen dan zou men allicht kunnen denken een paartje of twee poppen te bezitten. Twee poppen gaan echter ook rustig in een nest eieren leggen en het aantal bijv. 8 of 10 wijst er dan ook op dat geen paar het nest bewoont. Bij het aanschaffen speelt het dus een grote rol of men vogels koopt, die reeds jongen hebben gehad, hiervoor kan men rustig wat meer betalen. Bij een leverancier maakt men anders het beding van ruil.

Zet men een gekocht paartje apart en gebeurt er na een dag of tien niets wat er op wijst dat er een man bij is, dan moet men het met een andere vogel eens proberen.

Stellen deze vogels dus lage eisen wat de huisvesting betreft, een ruime kooi of vitrine, men doet goed een enkel paartje, desnoods met enige andere vogels, hierin te plaatsen, omdat een aantal Japanse Meeuwtjes bijeen vaak gezellig in een nestkastje kruipt, zodat er van broeden dan niets terechtkan komen.
Ook de voeding stelt geen hoge eisen. Witte millet prefereren ze boven gele en bruine, natuurlijk is een mengsel tropisch-zaad nog beter, wat veelzijdiger. Witzaad eten ze bijna nooit. Ook met een meelworm doen we ze meestal geen plezier, daarentegen wordt eivoer of een speciaal samengesteld opfokvoer in de broedtijd graag genomen. Ze brengen hiermee hun jongen goed groot. Wat oud geweekt brood met melk kan ook wel gegeven worden, mits men dit dagelijks ververst. Kan men deze zorg er niet aan besteden dan doet men goed te volstaan met de bij de handelaar verkrijgbare verpakkingen, waarin tevens andere onmisbare stoffen zijn verwerkt.
Natuurlijk mag men hun groenvoer, zoals andijvie en muur, niet onthouden. Zowel voor hun eigen conditie alsook voor hun jongen is dit uitstekend. Ook gekiemd zaad is voor de opfoktijd aan te bevelen of diverse rijpe graszaden, die men makkelijk langs velden en wegen kan verzamelen. In de kooi moet altijd bodemzand aanwezig zijn met wat fijn grit vermengd, eveneens met de benodigde mineralen, in de handel verkrijgbaar. Een stuk sepia mag ook niet ontbreken.

Voor de nestgelegenheid nemen ze genoegen met een kistkastje of Harzerkooitje, waarin men wat fijn hooi heeft gelegd. Wanneer men ze dan wat fijne vezels en veertjes ter beschikking stelt maken ze spoedig een keurig nest.
In het algemeen worden 5 tot 7 eitjes gelegd. De pop en man broeden afwisselend, soms ook samen. Het valt niet precies vast te stellen wanneer ze met broeden zijn begonnen, vandaar dat de opgaven over de broedduur verschillen van 12, 16 tot 20 dagen. Tussen -beide uitersten zal het wel liggen. De jongen blijven na het uitkomen lang in het nest en voor de 3 weken om zijn vliegen ze niet uit. Dan worden ze nog geruime tijd gevoed en met veel zorg lokken de ouders hun kinderen 's avonds weer naar hun nest. Als ze geheel zelfstandig zijn geworden, kan men de vogels beter enige tijd in een ruime volière plaatsen, omdat ze naar het nest blijven terugkeren en het opnieuw nestelen zo verhinderen.
Wil men de jonge vogels ringen, dan moet men hier mee wachten totdat ze minstens tien dagen oud zijn. De soepele pootjes verdragen trouwens ook met het uitvliegen voorzichtig ringen, indien men wat talk of vaseline aan de pootjes smeert. Men doet goed ook de gekleurde klemringen aan het andere pootje te bevestigen om aan te geven wat de mannen en poppen zijn. Als we de vogels, zodra ze 4 maanden oud zijn, een tijdje afzonderlijk in kooitjes plaatsen is het sexen gauw gedaan. Laat men ze allen bij elkaar rondvliegen dan is het natuurlijk erg moeilijk paartjes samen te stellen.

Hoewel de jonge vogels al na 4 maanden volwassen zijn en willen gaan nestelen, doet men verstandig ze hiervoor niet in de gelegenheid te stellen voor ze minstens 7 maanden oud zijn. Dan is het natuurlijk ook het beste voor bloedverversing te zorgen en niet de jongen onderling te paren.
Wil men gekuifden blijven kweken, dan moet altijd slechts een der vogels gekuifd zijn. De witte meeuwtjes zijn doorgaans zwakker en de combinatie wit x wit moet stellig niet generaties lang worden toegepast. De witten hebben nog al eens last van "staar", hetzij aan een oog hetzij aan beide. De staar verschijnt pas als de vogels twee jaar oud zijn en is een erfelijke ziekte, waaraan niets te doen is. Bloedverversing is in zo'n stam dringend noodzakelijk.

Pleegouders

Een van de aantrekkelijkste eigenschappen van deze vogels is het vervullen van de taak van pleegmoeder. Indien men de eitjes van de meeuwtjes vervangt door die van de meer kostbare soorten amadinen, zoals de Ceresastrild, de Bichenowastrild, de Gouldamadine, de Pijlstaartamadine en nog verschillende anderen, dan broeden de vogels die eitjes uit en brengen in de meeste gevallen de jongen uitstekend groot. Voor dit doel worden deze vogels bij veel geroutineerde kwekers dan ook gehouden. De poppen en mannen worden pas samengebracht, zodra de andere kostbare soorten met broeden gaan beginnen. Zonder mankeren nemen de meeuwtjes de eitjes aan, zelfs ook de jongen, tenminste als ze zelf dan ook jongen hadden.

Bijzonderheden:

Kruisingen met de Japanse Meeuwtjes zijn heel goed mogelijk, bijv. met het Zilverbekje, de Muskaatvink en natuurlijk met de verschillende Bronzemannetjes.
Voor ziekten zijn ze niet bijzonder gevoelig. Men moet alleen voorkomen dat ze te lange nagels krijgen, wat in een kooi meestal te wijten is aan dunne zitstokken. Lange nagels kunnen gevaarlijk zijn, omdat ze aan de hennepvezels blijven hangen bij het verlaten van het nest, en ze zich dan niet meer los kunnen maken.
Zowel voor beginners als voor meer ervaren kwekers biedt het Japanse Meeuwtje tal van mogelijkheden. Met enige zorg en geduld zijn nieuwe kleurcombinaties en nieuwe tekeningen te bereiken. Het afzetgebied van jonge vogels en speciaal van gegarandeerde paartjes is constant. Als tentoonstellingsvogels voldoen ze zeer goed door hun rustige aard. Men moet dan alle aandacht schenken aan een volkomen gelijke kleur en tekening van het paar.

Meer informatie over de Japanse Meeuw kunt u vinden op de pagina van de Japanse Meeuwen Club (JMC) www.jmc-lonchura.nl